Feeds:
Berichten
Reacties

Spelen

“If it isn’t play, it isn’t working” – hoewel ik me niet herinner wie deze uitspraak deed, is hij me dierbaar. Bij iedere training of workshop die ik geef of waaraan ik deelneem, merk ik hoe belangrijk spelen is. We leren spelenderwijs, krijgen er energie van, hebben er plezier in en ervaren een uitdaging…

De jongens en meisjes van Volkswagen hebben een initiatief genomen waarvan ik zeer vrolijk word. Op de website The Fun Theory schrijven ze:

“(…) something as simple as fun is the easiest way to change people’s behaviour for the better. Be it for yourself, for the environment, or for something entirely different, the only thing that matters is that it’s change for the better.”

En uit die gedachte komt het volgende experiment:

Wanneer heb jij voor het laatst gespeeld?

Intocht

De grondlegger van aikido, Morihei Ueshiba, had een zoon. En die zoon had zelf ook weer een zoon, die het afgelopen weekend in Nederland was. De komst van deze ‘leider van de weg’ (of op zijn Japans doshu) had wel iets weg van dat andere grote evenement dit weekend: de intocht van Sinterklaas.

Vol verwachting klopten de harten al maanden in afwachting van de komst van de goedheiligman. Mensen die elkaar de rest van het jaar niet of nauwelijk tegenkomen, kwamen bijeen.Rondom de eerbiedwaardige verzamelden zich steeds trouwe helpers. De rest van de schare werd per microfoon toegesproken met eenvoudige, maar zalvende woorden. Uit het grote boek was al van tevoren opgemaakt welke brave lieden zoet waren geweest, en dus op de knie van de beste man (of in ieder geval in diens nabijheid) plaats mochten nemen. Nou ja, zo heb ik me het hele weekend  lopen verkneukelen om de bovenstaande vergelijking. Dat heeft niets te maken met de doshu of Sinterklaas, maar alles met een aantal vragen dat ik me de laatste tijd weer regelmatig stel: Wat maakt aikido nu zo waardevol? Is dat de beoefening (de weg, de do/tao) op zichzelf? Of is het de filosofie achter de bewegingen? Of iets heel anders? Is er iets aan de aikido-beoefening dat van ieder mens een beter mens maakt? En wat is dan de (informatie)waarde van de graduaties die in de meeste aikidostijlen worden gehanteerd?

Ik heb de training en demonstratie van doshu Moriteru Ueshiba zeer gewaardeerd – duidelijk, sober, ruim, verbindend, dat zijn enkele woorden die bij me opkomen. Ik heb ontspannen en veilig getraind met steeds een andere partner op een mat van meer dan 2000 vierkante meter. Ik heb mezelf gedurende de training niet op ergernis of frustratie kunnen betrappen, en dat is, bescheiden als ik ben, een prestatie van enig formaat. Maar heeft die prestatie met aikido te maken? Zou ik, als ik me had overgegeven aan de intocht van Sinterklaas en alle blijde kindergezichten, ook niet heel, heel tevreden en blij en voldaan hebben gevoeld?

P.S.

Vier jaar geleden plaatste ik een aantal artikelen op de website van de Stichting voor Japanse & Okinawaanse Krijgskunsten (SJOK). Voor de geïnteresseerde lezer heb ik ze hier afgestoft. Het eerste artikel  is vanProfessor John Keenan die zich kritisch uitlaat over de mate waarin krijgskunstbeoefening verbonden is met allerlei verlichte idealen. Professor Stewart McFarlane voelde zich geprikkeld door dit artikel en schreef een uitgebreide respons: 

I. John P. Keenan, ‘Spontaneity in Western Martial Arts – a Yogacara Critique of Mushin (No-Mind)’, Japanese Journal of Religious Studies 1989, 16/4, 285-298.

II. Stewart McFarlane, ‘Mushin, Morals, and Martial Arts – A Discussion of Keenan’s Yogacara Critique’, Japanese Journal of Religious Studies 1990, 17/4, 397-420.

III. John P. Keenan, ‘The Mystique of Martial Arts: A response to Professor McFarlane’, Japanese Journal of Religious Studies 1990, 17/4, 421-432.

IV. Stewart McFarlane, ‘The Mystique of Martial Arts – -A Reply to Professor Keenan’s Response’, Japanese Journal of Religious Studies 1991, 18/4, 355-368

Het gebeurt me de laatste tijd steeds vaker: ik lees iets of ik zie iets en krak… mijn hart breekt. Ken je dat?

Afgelopen weekend las ik in De Volkskrant (d.d. 7/11/2009) een artikel van Ad van Liempt over hoe licht verzet in het dorp Marum tijdens de Tweede Wereldoorlog met represailles werd beantwoord. Kortweg: een Duitse patrouille ondervond hinder van een boom die over de weg was gelegd. Zestien mannen werden vervolgens gearresteerd. Een zoon van één van hen vertelt: ’Mijn vader stond daar met de handen omhoog, en zei tegen mij: “Jonkje, loop weg.” Ik wilde dat niet, ik vond het veel te spannend, gevangen genomen worden. Maar mijn vader kon heel streng zijn. Hij zei nog en keer: “Jonkje loop weg”, en toen ben ik weggelopen, samen met mijn broer Marten, naar de buren.’ 

Het hele beeld dat deze paar woorden bij me oproepen, raakt me – van een vader in een kwetsbare, machteloze positie, teder en dwingend, angstig machteloos en bezorgd.  De handen omhoog, geen vin te verroeren en toch uit alle macht zijn zoon willen beschermen. Van een jongetje dat zich aangetrokken voelt door het avontuur, maar toch gehoorzaamt. Hij kent zijn vaders strengheid, maar wordt misschien ook geraakt door de toon van diens stem, de blik in zijn ogen en de spanning rond de situatie.

De ontroering raakt mijn hart. 

Een zoete pijn, die ik associeer met leven.

Ik staarde wat verbaasd naar het pak zuivel op de keukentafel.

“In een natuurlijke leefomgeving genieten onze koeien van het gezonde voer en de goede verzorging. Als beloning produceren ze dagelijks verse melk rijk aan eiwitten, mineralen en de meervoudig onverzadigde Omega-3- en 6- vetzuren. Dit is dè basis van onze (h)eerlijke boerderijzuivelproducten.”

Het is maar (dat betoog ik wel vaker) hoe je het bekijkt. Tot nu toe meende ik dat koeien melk produceren voor hun kalveren. En dat, door te fokken en de kalveren bij hun moeders weg te halen en op dit proces te subsidiëren, plassen melk overblijven voor menselijke consumptie. En dat vlees- en zuivelindustrie onlosmakelijk aan elkaar verbonden zijn.

Ik koop graag iets waarbij ik me goed voel. Zet er ‘boeren-’ op, of ‘regionaal product’, of ‘biologisch’ en ik ben al enthousiast. Een beetje rooskleuriger dan de werkelijkheid mag een product best worden aangeprezen, wat mij betreft; ik blijf zelf verantwoordelijk voor de aanschaf. Maar koeien die melk produceren als beloning voor het genot dat boeren hen schenken, dat gaat verder dan ‘rooskleurig’. Het zijn sprookjes die de werkelijkheid geweld aandoen.

Inspiratie – ze valt vaak gewoon op mijn deurmat.

Deze week ontving ik per post een uitnodiging voor een seminar met de titel ‘Samenwerken met moeilijke mensen’. Een zucht rees op uit mijn borstkas. De ondertitel van het seminar luidde: ‘De beste strategieën om af te rekenen met lastpakken!’ Als taal een afspiegeling is, hoe gebrekkig ook, van de manier waarop we de wereld ervaren en tegemoet treden, dan beschreef deze uitnodiging een wereld waarin sommige mensen moeilijk zijn, en anderen makkelijk. En waarin ’samenwerken’ op een lijn wordt gesteld met ‘afrekenen’. Dezelfde wereld kwam ik tegen bij het lezen van de gemeenteberichten in de krant die tegelijkertijd met deze uitnodiging op de deurmat viel. Burgemeester en wethouders van de gemeente waarin ik woon (De Marne) hadden vorige week het Protocol veeleisende burger vastgesteld. Mijn nieuwsgierigheid was gewekt. Ik las:

‘Dit protocol gaat ervan uit dat iedere burger zich tot de gemeente De Marne moet kunnen wenden met een verzoek of een aanvraag. Of dat nu eenvoudige informatie betreft of een ingewikkelde aanvraag: u kunt bij ons terecht.’

‘Chapeau!’ kraaide ik. ‘Een ambitie, een streven, waarin ik lees dat de veeleisendheid van een burger bestaat bij de gratie van de beleving daarvan van de ambtenaar!’ Ik las verder:

Maar (ik begon onraad te ruiken) het komt ook voor dat iemand wel heel veel van de gemeente vraagt, soms zonder dat er een persoonlijk belang bij is. Ook komt het voor dat iemand niet krijgt wat hij graag wil, gewoon omdat het niet kan, bijvoorbeeld omdat er regels in de weg staan, of omdat de gemeente niet het juiste orgaan is. Dat levert wel eens ontevreden reacties op, die in sommige gevallen uit de hand lopen.

Allereerst viel me op dat ik niet langer direct werd aangesproken, maar dat er over ‘iemand’ werd gerept. “Op het moment dat er grenzen worden aangegeven, is het spannend maar belangrijk om elkaar direct aan te blijven spreken,” dacht ik. Verder las ik hier een mooi voorbeeld van wat binnen Geweldloze Communicatie’ wel eens ’denial of responsability’ wordt genoemd – de verantwoordelijkheid voor gedachten, gevoelens, behoeften en daden ontkennen of toewijzen aan iets of iemand anders. Zoals in ‘je maakt me vreselijk boos’ of ‘zo gaat het hier nu eenmaal’. Of, zoals we hier lezen: ‘het kan niet’, ‘er staan regels in de weg’, ‘de gemeente is niet het juiste orgaan’. Adolf Eichman, die in Neurenberg terecht stond vanwege zijn optreden tijdens de Tweede Wereldoorlog, noemde dit Amtssprache: taal ontdaan van gevoel, beleving en persoonlijke keuze of verantwoordelijkheid (zie Hannah Arendts Eichmann in Jerusalem. A report on the banality of evil (1963)).

Omdat deze situaties in de hand te kunnen houden [sic], is het Protocol veeleisende burger vastgesteld. Wij willen iedereen behoorlijk behandelen en als dat niet goed gaat, mag u ons daarop aanspreken. Maar wij verwachten van de burger ook behoorlijkheid. Zo kunnen we goed samenwerken.

Ik legde de krant opzij en keek uit het raam. Volgens de burgemeester, wethouders en ambtenaren van mijn gemeente bestaat daar een wereld waarin zaken gaan ‘zoals het hoort’, waarin zaken ‘gewoon niet kunnen’, waar reacties ‘ontevreden’ zijn of mensen ‘veeleisend’.

Ik keek nog eens beter, maar zag die wereld niet.

De tekst op het t-shirt dat mijn vrouw vanochtend aantrok, sloot naadloos aan bij een kort gesprek dat ik gisteren voerde met een dierbare collega-trainer. Als ik het t-shirt mocht geloven (en ach, wie gelooft niet wat er op een t-shirt staat), was het een uitspraak van Laozi (of Lao tse of Lao-Tzu):

“What the caterpillar calls the end, the rest of the world calls a butterfly.” [Wat de rups het einde noemt, noemt de rest van de wereld een vlinder]

“Woorden en wereldbeelden zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden,” overpeinsde ik bij mijn derde hapje pap. Met de collega-trainer had ik het over ‘onmogelijk te verschuiven afspraken’, over ‘geen keuze hebben’, over ‘wel akkoord moeten gaan’. Het zijn niet mijn woorden, ze beschrijven niet een werkelijkheid waar ik in geloof en waar ik mij gelukkig bij voel. Ik geloof in een werkelijkheid die bestaat uit relaties, waarin mijn keuzes een deel zijn van het samenspel dat zich afspeelt. Sommige keuzes liggen meer voor de hand dan andere, en soms ervaar ik nauwelijks keuzevrijheid. Maar ik wil verantwoordelijkheid nemen voor wat ik doe en eerlijk zijn over de keuzes die ik maak, hoe eng dat vaak ook is. 

 

[Noot: op 6 november vindt in Wageningen een bijeenkomst plaats rond boeddhisme en geweldloze communicatie. Han de Wit geeft aan het begin van de dag een lezing die in het teken zal staan van de gespannen verhouding tussen taal en de werkelijkheid.]

Ik stap mijn voordeur uit en het is zomer: warmte, velden vol granen en maïs, een ijsje op een terras.

Met mijn zoon voorop aan het stuur fiets ik deze dagen rondjes over het Hogeland van Groningen. Alan wijst naar alles dat lijkt op koeien en trekkers, en slaakt kreten als ‘boe!’ en ‘brrrrrrr!’. Ik groet iedereen die we tegenkomen. Dat is een gewoonte die ik overnam van mijn vrouw.

Inmiddels waardeer ik die gewoonte als een simpele, maar verrassende oefening in aandachtig en onbevangen geven en ontvangen. Wat gebeurt er bijvoorbeeld als iemand niets terugzegt? En wat belemmert mij vandaag om ‘goeiemorgen’ tegen iemand te zeggen?  Het neigt naar een oefening die de boeddhistische lerares Pema Chodron ‘traffic tonglen’ noemt – werken met ongemak en frustratie in alledaagse ongemakkelijke situaties. Om meer inzicht te krijgen in de werking van de geest en waar die bijdraagt of afbreuk doet aan een ‘realistische’ blik op de wereld.

In 2007 verscheen bij uitgeverij Balans een Nederlandse vertaling van het boek Tecknens Rike (1989) van Cecilia Lindqvist: Het karakter van China. Het verhaal van de Chinezen en hun schrift. Op pagina 187 legt Lindqvist uit hoe het karakter voor vrede/harmonie is gevormd:

vrede, harmonie‘Gierst en mond samen vormen het karakter voor vrede, harmonie, het mooie moment van de dag als alle monden gevoed zijn en de rust in huis weerkeert. Of misschien: de harmonie die je voelt als je weet dat de voorraadschuur gevuld is en er genoeg eten is voor de winter?’

 In De Volkskrant van vandaag, 20 juni 2009, las ik op de voorpagina:

‘Het aantal mensen in de wereld dat honger lijdt, is tot recordhoogte gestegen. Voor het eerst zijn er ruim een miljard personen, eenzesde van de wereldbevolking, die structureel te weinig eten hebben.’

De combinatie van beide berichten roept zorgen bij me op. Gedachten buitelen over elkaar heen – Als zes mensen op elkaar zijn aangewezen en het is bekend dat één van hen honger lijdt, hoe zorgen de overige vijf er dan voor dat die persoon te eten heeft? Dat begint met mededogen, de wens dat de ander niet langer lijdt. De natuur heeft ons met dit vermogen uitgerust. Vervolgens vraagt het om wijsheid op basis waarvan de juiste keuzes gemaakt kunnen worden. Daar hebben we onderwijs, onderzoek en mensen zoals JeffreySachs voor nodig. En het vraagt moed van mij om net lang genoeg stil te staan bij de sores van anderen om geraakt te worden.

Ik zit wel eens een vergadering voor waarin de energie en aandacht van sommige deelnemers op me overkomt als intens, maar ongeleid. Mensen reageren op elkaar met de snelheid van het licht, gedachten worden verwoord wanneer ze opborrelen, alles lijkt met alles te maken te hebben. Als voorzitter heb ik dan het idee achter een op hol geslagen flipperkast te staan.

De weg naar verlichting (thangka Nepal 2008)

De weg naar verlichting (thangka Nepal 2008)

Bij mij thuis aan de muur hangt een thangka (een boeddhistische schildering op stof) uit Nepal: de schildering beeldt de verschillende stadia af van het pad naar verlichting. We zien een monnik met een stuk touw in zijn ene hand en een haak in zijn andere. Hij rent aanvankelijk achter een donkere olifant aan, die geleid wordt door een aap. Geshe Rabten, een bekende Tibetaans-boeddhistische leraar, lichtte de afbeelding als volgt toe: De monnik staat voor de boeddhist, of de beoefenaar van meditatie. De olifant staat voor zijn geest. Een getemde olifant is gehoorzaam en bereid om zwaar werk te verrichten. Een wilde, ongetrainde olifant kan gevaarlijk zijn en geweldige schade veroorzaken. Ook twee vijanden van concentratie zien we afgebeeld: drukte of verstrooidheid en slaperigheid of sloomheid. De aap staat voor de drukte, de afleiding. De aap is geen moment in rust, is altijd met iets bezig of door iets afgeleid. De donkere kleur van de olifant staat voor zware loomheid. De instrumenten in de hand van de man kunnen hem helpen zijn geest te temmen: het touw staat voor wijze aandacht (of wat veel mensen nu kennen als mindfulness) en de haak voor inzicht in de staat van de geest. (Uit The Graduated Path to Liberation (oorspr. 1969, deze uitgave van Publications for Wisdom Culture (New Delhi) 1980, pp. 37-38)

Fragment thangka

Fragment thangka

Het is eerst zaak de olifant te vangen (met het touw van de aandacht) en te leiden (met de haak van begrip). En vervolgens te berijden. Hoe de geest verlicht kan raken valt natuurlijk nauwelijks te vergelijken met het in banen leiden van een vergadering. De ontwikkeling van mijn geest is mijn verantwoordelijkheid, terwijl het welslagen van een vergadering een gedeelde verantwoordelijkheid van de deelnemers is. En toch inspireert de afbeelding op de thangka me om mijn voorzitterschap vorm geven met een mix van mildheid en vastberadenheid, aandacht en inzicht. Of, in wat minder boeddhistisch jargon, kop erbij en klare taal.

De wimpel aan de mast wappert. De bomen buigen licht. Wolken schieten voorbij, paardebloemen raken kaal. We nemen de aanwezigheid van de wind waar, zonder de wind echt aan te kunnen wijzen.

Ik realiseer me opnieuw dat er dingen zijn die we kunnen zien, en dingen die we niet kunnen zien (maar wel ervaren). En dat ik het risico loop mijn werkelijkheid te verschralen wanneer ik het bestaan van dingen die ik niet kan zien, meten of verklaren, ontken. Erkennen dat er iets is (ook al hebben we er de woorden of verklaring niet voor) schept ruimte en soms zelfs ongekende mogelijkheden.

Opeens moet ik denken aan een filmpje dat ik eens zag. Gun jezelf nog even twee minuutjes en een glimlach:

 

Oudere Berichten »